De rechtbank Den Haag heeft op 7 oktober 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een terugkeerbesluit van 10 januari 2025. Eiser, met de Turkse nationaliteit, betoogde dat hij niet kan terugkeren naar Turkije vanwege een reëel risico voor zijn leven en dat hij bescherming nodig heeft. Tijdens het gehoor gaf eiser aan asiel te willen aanvragen en bescherming te zoeken vanwege zijn Koerdische achtergrond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder geen kenbare refoulementbeoordeling had gemaakt bij het terugkeerbesluit, terwijl dit volgens het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de EU verplicht is. Ook ontbrak een deugdelijke motivering in het besluit. Het enkele feit dat eiser na het besluit de mogelijkheid kreeg asiel aan te vragen, volstaat niet om aan de verplichtingen te voldoen.
Gezien deze tekortkomingen vernietigde de rechtbank het terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser. Verweerder was niet verschenen en had geen verweerschrift ingediend, waardoor herstel van de gebreken niet mogelijk was. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.