De minister van Asiel en Migratie legde op 19 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 23 september 2025 op vanwege wijziging van de grondslag en oplegging van een nieuwe maatregel.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel toepaste, mede gelet op het overlijden van zijn moeder en zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat de minister de omstandigheden voldoende had meegewogen en dat de bewaring proportioneel en noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking aan toezicht.
Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij zijn verwijdering uit Nederland. Ook deze grond werd verworpen omdat de minister de bewaring spoedig had opgeheven en de voortvarendheid van het handelen met betrekking tot de nieuwe maatregel in een andere procedure aan de orde kan komen.
De rechtbank concludeerde dat geen onrechtmatigheid was vastgesteld en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.