ECLI:NL:RBDHA:2025:18216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.38726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Algerije

De minister van Asiel en Migratie legde op 27 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en beoordeelde de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf het sluiten van het eerdere onderzoek.

Eiser voerde aan dat de bewaring te lang duurt, onevenredig bezwarend is en dat er geen zicht is op uitzetting, mede omdat Algerije en Libië de laissez-passer aanvragen zouden hebben afgewezen. Ook stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstaat. De rechtbank verwees naar haar eerdere uitspraak van 22 juli 2025, waarin deze punten reeds zijn beoordeeld en zag geen aanleiding tot een ander oordeel.

De rechtbank constateerde dat er nog steeds zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend aan zijn terugkeer, waardoor een redelijk vooruitzicht op verwijdering kan worden aangenomen. De voortgangsrapportage toonde aan dat de minister op 2 juni 2025 een lp-aanvraag heeft ingediend en maandelijks rappelleerde, wat voldoende voortvarendheid weerspiegelt.

Het beroep op het opleggen van een lichter middel werd eveneens afgewezen, verwijzend naar eerdere uitspraken. Omdat geen onrechtmatigheid is gebleken, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38726

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 27 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 juli 2025 (in de zaak NL25.30857) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser te lang in bewaring zit en dat dit onevenredig bezwarend is. Daarnaast is er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Libië en Algerije hebben de laissez-passer (lp) aanvragen afgewezen, waardoor rappelleren nutteloos is. Verweerder handelt onvoldoende voortvarend. Daarnaast heeft eiser last van stress, slaapt hij slecht en voelt hij zich niet goed door de detentie. Eiser wil zelfstandig terugkeren naar Libië of Algerije. Er kan worden volstaan met een lichter middel, bijvoorbeeld via een meldplicht. De bewaring dient te worden opgeheven.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Ten aanzien van eisers stellingen dat eiser te lang in bewaring zit, dat dit onevenredig bezwarend is, dat er geen zicht op uitzetting is, dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en het betoog over het opleggen van een lichter middel, stelt de rechtbank vast dat eiser deze beroepsgronden ook al heeft aangevoerd in de voorgaande procedure. De rechtbank verwijst dan ook naar hetgeen zij hierover in haar voorgaande uitspraak van 22 juli 2025 (in de zaak NL25.30857) heeft overwogen en ziet geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen. Daarop aanvullend overweegt de rechtbank het volgende.
6. De rechtbank is van oordeel dat er in het algemeen nog steeds zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. [1] In het specifieke geval van eiser oordeelt de rechtbank niet anders. Uit het verslag van het meest recente vertrekgesprek van 2 augustus 2025 blijkt niet dat eiser iets heeft ondernomen om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst te bespoedigen, ondanks dat op hem wel een vertrekplicht rust. Eiser heeft slechts aangegeven terug te willen keren naar Libië. Nu eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zijn volledige en actieve medewerking te verlenen in het kader van zijn terugkeer, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering niet ontbreekt.
7. De rechtbank overweegt verder dat uit de voortgangsrapportage van
18 augustus 2025 blijkt dat verweerder op 2 juni 2025 voor eiser een lp-aanvraag heeft ingediend bij de autoriteiten van Algerije. Uit de voortgangsrapportage en het vertrekgesprek van 2 augustus 2025 blijkt dat er nog geen reactie is van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag. Verweerder heeft daarnaast maandelijks gerappelleerd, voor het laatst op 15 augustus 2025 en in totaal vier keer. Eisers niet onderbouwde stelling dat Algerije zijn lp-aanvraag heeft afgewezen, kan daarom niet worden gevolgd en de daarop gebaseerde stelling dat rappelleren nutteloos is, treft geen doel. Daarnaast houdt verweerder sinds 2 juni 2025 maandelijks vertrekgesprekken met eiser. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.
8. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken van 22 juli 2025 (NL25.30857) en 12 juni 2025 (NL25.23824). In wat eiser nu aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.