ECLI:NL:RBDHA:2025:18216
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Algerije
De minister van Asiel en Migratie legde op 27 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en beoordeelde de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf het sluiten van het eerdere onderzoek.
Eiser voerde aan dat de bewaring te lang duurt, onevenredig bezwarend is en dat er geen zicht is op uitzetting, mede omdat Algerije en Libië de laissez-passer aanvragen zouden hebben afgewezen. Ook stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstaat. De rechtbank verwees naar haar eerdere uitspraak van 22 juli 2025, waarin deze punten reeds zijn beoordeeld en zag geen aanleiding tot een ander oordeel.
De rechtbank constateerde dat er nog steeds zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend aan zijn terugkeer, waardoor een redelijk vooruitzicht op verwijdering kan worden aangenomen. De voortgangsrapportage toonde aan dat de minister op 2 juni 2025 een lp-aanvraag heeft ingediend en maandelijks rappelleerde, wat voldoende voortvarendheid weerspiegelt.
Het beroep op het opleggen van een lichter middel werd eveneens afgewezen, verwijzend naar eerdere uitspraken. Omdat geen onrechtmatigheid is gebleken, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.