ECLI:NL:RBDHA:2025:18179
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, een Marokkaanse derdelander uit Oekraïne, had tijdelijk recht op opvang en werken in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Dit recht eindigde op 4 maart 2024, met een bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025. Verweerder legde op 13 augustus 2025 een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken vanaf 4 september 2025. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om verblijf en opvang te behouden.
De voorzieningenrechter overwoog dat het terugkeerbesluit niet prematuur was genomen omdat verzoeker geen lopende verblijfsprocedure had. Ook was geen sprake van een onzorgvuldig besluit, omdat verzoeker niet concreet had gesteld welke persoonlijke omstandigheden niet waren meegewogen en geen risico op refoulement aannemelijk had gemaakt. Verder was geen schending van de hoorplicht vastgesteld omdat verzoeker gelegenheid had gehad zijn zienswijze te geven.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het beroep mogelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van beroepsgronden, maar beoordeelde de inhoudelijke gronden toch. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond dat een schorsing van het terugkeerbesluit rechtvaardigde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de opvang wordt beëindigd per 2 oktober 2025.