ECLI:NL:RBDHA:2025:18082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit derdelander Oekraïne wegens beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn beroep tegen een terugkeerbesluit af te wachten en zijn rechten onder de Richtlijn tijdelijke bescherming te behouden. De minister van Asiel en Migratie had een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken, omdat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
De voorzieningenrechter overweegt dat de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 rechtsgevolgen heeft verloren, conform uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verzoeker kon daarom geen beroep meer doen op facultatieve tijdelijke bescherming. Het terugkeerbesluit is gericht op terugkeer naar Algerije, en er is geen sprake van een schending van het verbod op refoulement, aangezien de situatie in Algerije geen risico op onmenselijke behandeling oplevert en verzoeker zijn asielaanvraag heeft ingetrokken.
Verzoekers beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat hij onvoldoende zijn belangen heeft geconcretiseerd. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek tot voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en wijst dit af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen.