ECLI:NL:RBDHA:2025:17995
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming en bevriezingsmaatregel
Eiseres kreeg op 6 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd nadat haar recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd en de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 zou stoppen. Eiseres stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat haar asielaanvraag nog liep, waardoor zij rechtmatig verbleef. Tevens voerde zij aan dat de minister niet had getoetst aan artikel 3 EVRM Pro en dat zij niet gehoord was, wat strijd zou opleveren met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat artikel 6 van Pro Richtlijn 2008/115/EG en het arrest van het Hof van Justitie niet verhinderen dat een terugkeerbesluit wordt genomen na beëindiging van de tijdelijke bescherming. De bevriezingsmaatregel vormde geen belemmering voor het terugkeerbesluit. De asielaanvraag was buiten behandeling gesteld, waardoor geen rechtmatig verblijf meer bestond. De minister had wel degelijk aan artikel 3 EVRM Pro getoetst en de eiseres had de mogelijkheid gehad schriftelijk te reageren op het voornemen, zodat het horen in persoon niet noodzakelijk was.
De rechtbank concludeerde dat de minister niet verplicht was ambtshalve te onderzoeken of eiseres in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van een beperking. Ook het economische belang van eiseres verhinderde het opleggen van het terugkeerbesluit niet. Het beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.