ECLI:NL:RBDHA:2025:17893
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens schending hoorplicht in bezwaarprocedure
Eiser, met de Colombiaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning als verzorgende ouder van een Nederlands kind die door verweerder werd ingetrokken. Eiser maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar werd in de bezwaarfase niet gehoord, hetgeen hij aanvoerde als beroepsgrond.
De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht op grond van artikel 7:2 van Pro de Awb in deze zaak is geschonden. Gezien de omstandigheden, waaronder de veranderde persoonlijke situatie van eiser, zijn psychische klachten, en het belang van het gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro, had verweerder eiser en diens ex-partner moeten horen. De rechtbank verwijst naar relevante jurisprudentie en de werkinstructies van verweerder die benadrukken dat horen de regel moet zijn, zeker bij beslissingen met grote impact.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de hoorplicht wordt nageleefd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer vanwege de geconstateerde schending van de hoorplicht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht; verweerder moet een nieuw besluit nemen waarbij eiser en zijn ex-partner worden gehoord.