ECLI:NL:RBDHA:2025:17576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
NL24.19033
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 5 richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiseres heeft op 1 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag, die zij op 30 september 2023 had ingediend. Verweerder heeft op 31 juli 2024 alsnog een besluit genomen, maar dit besluit op 30 juli 2025 ingetrokken. Eiseres verzocht het beroep tegen het niet tijdig beslissen te handhaven.

De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/3 onrechtmatig was, waardoor verweerder binnen zes maanden had moeten beslissen. Dit is niet gebeurd, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres van € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat partijen daarmee instemden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19033

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

[v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

Op 1 mei 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag.
Op 31 juli 2024 heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag van eiseres beslist.
Bij bericht van 30 juli 2025 heeft verweerder het besluit van 31 juli 2024 ingetrokken. Eiseres heeft bij brief van 1 augustus 2025 verzocht om het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag te handhaven.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Verweerder en eiseres hebben vervolgens aangegeven dat deze beroepsprocedure zonder zitting kan worden afgedaan. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

1. Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eiseres heeft de asielaanvraag ingediend op 30 september 2023. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moest verweerder binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. Verweerder heeft met WBV 2023/3 (Stcrt. 2023, nr. 3235) gebruik gemaakt van de in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw neergelegde bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dat geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot uiterlijk 1 januari 2024.
4. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3346, echter geoordeeld dat WBV 2023/3 onverbindend is. Dat houdt in dat verweerder de beslistermijn in de zaak van eiseres ten onrechte met negen maanden heeft verlengd en binnen zes maanden na de asielaanvraag een beslissing had moeten nemen. Dat heeft hij niet gedaan. Eiseres heeft na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden een ingebrekestelling verstuurd en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld. Op dit moment heeft verweerder nog steeds niet op de asielaanvraag beslist. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, een andere termijn te geven.
6. Voor zover de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), is verstreken of op korte termijn gaat verstrijken, overweegt de rechtbank dat de besluitvorming op de asielaanvraag te allen tijde op een zorgvuldige manier dient te gebeuren en dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak reeds heeft bepaald binnen welke termijn een zorgvuldig besluit genomen kan worden.
7. Omdat er in dit geval een nader gehoor met eiseres is gehouden, zal de rechtbank in lijn met deze uitspraak van de Afdeling bepalen dat verweerder binnen acht weken op de aanvraag dient te beslissen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Eiseres krijgt een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.