ECLI:NL:RBDHA:2025:17102
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet
Eiser werd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van grensdetentie. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld, tevens met een verzoek om schadevergoeding. De maatregel werd op 31 augustus 2025 opgeheven, waarna de rechtbank op 4 september 2025 het beroep behandelde.
Eiser stelde dat artikel 6 lid 3 Vw Pro onduidelijk is en niet als grondslag kan dienen voor beide procedures van grensbewaring (aanvraagfase en beroepsfase), wat in strijd zou zijn met artikel 5 EVRM Pro en artikel 6 Handvest Pro. De rechtbank oordeelde dat deze bepaling duidelijk is en dat een vreemdeling zolang hij als verzoeker wordt aangemerkt in beide fases onder deze bepaling valt.
Omdat geen bijzondere individuele omstandigheden waren die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maakten en de maatregel niet onrechtmatig was voorafgaand aan de opheffing, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.