ECLI:NL:RBDHA:2025:17060
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijderingsmaatregel en beëindiging verblijf EU-onderdaan met zwervend bestaan
Eiser, een Poolse EU-onderdaan die naar eigen zeggen twee jaar geleden naar Nederland kwam, leidt een zwervend bestaan en heeft geen reële arbeid verricht of middelen van bestaan. Verweerder stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en legde een verwijderingsmaatregel op met een vertrektermijn van een maand.
Eiser betoogde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, omdat niet duidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen, verwijzend naar de Verblijfsrichtlijn en een werkinstructie. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende informatie heeft verstrekt, mede op basis van het arrest F.S. en werkinstructie WI 2023/3.
De rechtbank overweegt dat voor dakloze EU-onderdanen veel elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dat het voor eiser niet onduidelijk is hoe hij zijn verblijf kan beëindigen. Het is een persoonlijke keuze van eiser om in een tent te slapen, ook in het buitenland. De toets op daadwerkelijk en effectief beëindigen van verblijf is casuïstisch en vindt plaats bij terugkeer.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat eiser ook rechtmatig verblijf kan verkrijgen door te voldoen aan artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.