Op 1 september 2025 verzocht verzoekster de rechtbank om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, waarbij de ontruiming van haar huurwoning door verweerders werd verboden. De ontruiming stond gepland op 3 september 2025, wat een bedreigende situatie voor verzoekster veroorzaakte.
Tijdens de zitting van 4 september 2025 werd vastgesteld dat verzoekster de huur voor september had voldaan middels een voorschot van het UWV en dat zij met spoed een onderbewindstelling van haar goederen had aangevraagd. Tevens werd duidelijk dat verzoekster actief werkt aan schuldhulpverlening en begeleiding ontvangt van diverse instanties.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoekster, waaronder het behouden van woonruimte en het succesvol doorlopen van het schuldsaneringstraject, zwaarder wogen dan die van verweerders. De voorziening werd daarom toegewezen voor zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en de voorziening geldt totdat het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of ingetrokken.
De beslissing biedt verzoekster de noodzakelijke rust om haar schulden te regelen en voorkomt verdere escalatie door ontruiming, waarbij ook de belangen van verhuurders worden beschermd door de gegarandeerde huurbetaling.