ECLI:NL:RBDHA:2025:16524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De minister van Asiel en Migratie heeft op 26 mei 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die sindsdien voortduurt. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 21 augustus 2025 nog rechtmatig was. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was met de uitzetting en dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. De rechtbank concludeerde op basis van de voortgangsrapportage dat de minister nog steeds voldoende voortvarend handelt en dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting niet binnen redelijke termijn mogelijk is.
Eiser voerde ook aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen vanwege de duur van de bewaring. De rechtbank oordeelde dat volgens het beleid van de minister pas na zes maanden een verzwaarde belangenafweging nodig is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot opheffing van de bewaring leiden.
De rechtbank zag geen grond om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig voortduurt en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.