In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die in beroep ging tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 13 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die in het verleden al eerder in Nederland verbleef en na een terugkeerbesluit niet zelfstandig vertrok. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde in de uitzetting en dat er lichter middelen beschikbaar waren dan bewaring. De rechtbank heeft de zaak op 26 augustus 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld. De minister had op 19 augustus 2025 een vertrekgesprek gevoerd en op 20 augustus 2025 een aanvraag voor een laissez-passer verzonden. De rechtbank concludeerde dat de minister meer had gedaan dan enkel een vlucht boeken en dat de maatregel van bewaring rechtmatig was. Eiser's argument dat hij niet terug wilde naar Roemenië en dat zijn identiteitskaart bij een vriend lag, werd niet overtuigend geacht. De rechtbank stelde vast dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, wat de noodzaak van de bewaring bevestigde.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd openbaar gemaakt en er werd een rechtsmiddel tegen de uitspraak aangegeven, waarbij hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.