ECLI:NL:RBDHA:2025:16196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
NL25.4251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrechtDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning na Dublin-overdracht

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van 9 januari 2025 waarin de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voor asiel vaststelde op 7 april 2023, de datum van de tweede asielaanvraag van eiser. Eiser betwistte deze ingangsdatum en stelde dat de vergunning moet ingaan op de datum van de oorspronkelijke asielaanvraag.

De rechtbank behandelde het beroep op 16 juni 2025, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde afwezig bleven. De rechtbank oordeelde dat de minister onjuist heeft gehandeld door uit te gaan van de datum van de tweede aanvraag, aangezien Nederland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk werd voor de oorspronkelijke aanvraag.

Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:881) diende de ingangsdatum van de verblijfsvergunning te worden vastgesteld op 17 mei 2022, de datum van de eerste asielaanvraag. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelde deze zelf vast.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €907, waarbij de rechtbank geen aanleiding zag om een lagere wegingsfactor toe te passen. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit over de ingangsdatum en stelt deze vast op de datum van de oorspronkelijke asielaanvraag, 17 mei 2022.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4251
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 9 januari 2025 tot inwilliging van de asielaanvraag van eiser vanaf 7 april 2023. Eiser is het niet eens met de in dat besluit toegekende ingangsdatum.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit, voor zover dat ziet op de toegekende ingangsdatum, niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Zoals de minister in het verweerschrift van 27 mei 2025 heeft erkend, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 20241 dat de minister in het besluit een verkeerde ingangsdatum van de verblijfsvergunning heeft vastgesteld. De minister is ten onrechte uitgegaan van de datum waarop de vreemdeling zijn tweede asielaanvraag heeft ingediend (7 april 2023). De minister mag namelijk niet van eiser verlangen dat hij een nieuwe asielaanvraag indient nadat Nederland in het kader van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor een al ingediende asielaanvraag. Daarom had de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moeten vaststellen op 17 mei 2022, de datum van de oorspronkelijke asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond en het besluit moet worden vernietigd, voor zover de minister daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft vastgesteld op 7 april 2023. Om proceseconomische redenen en uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 17 mei 2022 en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
3.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de proceskostenveroordeling de wegingsfactor zeer licht (0,25) toe te passen, zoals is verzocht door de minister. De behandeling van een zaak in de beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Dat alleen wordt geprocedeerd over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, is onvoldoende grond om zulke redenen aan te nemen. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 20252 waarin wegingsfactor 1 is toegepast.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 7 april 2023;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 17 mei 2022;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.