ECLI:NL:RBDHA:2025:16035
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Bruinse - Pot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring vreemdeling en belangenafweging
De minister legde op 17 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds op 4 juli 2025 getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank onderzocht of het voortduren van de maatregel sinds 1 juli 2025 nog rechtmatig was. Eiser voerde aan dat het ontbreken van identiteitsdocumenten buiten zijn macht lag en dat een lichter middel passend zou zijn, mede vanwege zijn Nederlandse partner en het ontbreken van vooruitgang bij het verkrijgen van documenten. De rechtbank oordeelde echter dat uit de stukken niet blijkt dat het ontbreken van documenten daadwerkelijk buiten de macht van eiser ligt en dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit.
Verder werd overwogen dat de belangen van de minister bij voortzetting van de bewaring in de eerste zes maanden zwaarder wegen dan die van eiser, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere belangenafweging rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de maatregel van bewaring blijft gehandhaafd en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.