ECLI:NL:RBDHA:2025:13286
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 17 juni 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die op 9 juni 2025 vanuit Duitsland werd overgenomen en direct een asielaanvraag indiende, stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat geen lichter middel dan de inbewaringstelling doeltreffend was. De gronden voor de bewaring waren niet betwist en wezen op een reëel risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser had voorafgaand aan de bewaring gehoord kunnen worden en zijn argumenten naar voren kunnen brengen.
De rechtbank wijst erop dat het feit dat eiser een asielaanvraag had ingediend, die bovendien was ingetrokken, niet betekent dat een meldplicht passend was. De algemene aard van de gronden voor bewaring leidt niet tot een ander oordeel.
Ambtshalve toetsing leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig was. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.