Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:15874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/23/216 F
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 288 lid 1 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement naar wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

De heer is op 8 augustus 2023 failliet verklaard. Hij verzocht op 22 april 2025 om opheffing van het faillissement en gelijktijdige toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De curator steunde dit verzoek. De rechtbank behandelde het verzoek op 17 juli 2025.

De rechtbank overweegt dat omzetting van faillissement naar WSNP mogelijk is onder voorwaarden, waaronder dat het faillissement niet op verzoek van de schuldenaar is uitgesproken of dat het niet verwijtbaar is dat de schuldsaneringsregeling niet eerder is aangevraagd. De rechtbank acht het niet verwijtbaar dat de heer het verzoek niet eerder deed.

Echter, de rechtbank oordeelt dat de heer niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Er zijn aanzienlijke schulden bij het CJIB en de Belastingdienst die voortkomen uit verkeersovertredingen, milieu-inspecties en het niet bijhouden van een administratie. Tevens toont de heer een niet-saneringsgezinde houding door niet te solliciteren ondanks het ontvangen van een uitkering en het ontbreken van arbeidsongeschiktheid.

Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek af om het faillissement op te heffen en gelijktijdig de WSNP toe te passen.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing faillissement en gelijktijdige toelating tot WSNP wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en niet-saneringsgezinde houding.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
insolventienummer: C/09/23/216 F
vonnis van 31 juli 2025
in het faillissement van:
[naam] ,
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonadres: [postcode 1] [woonplaats] , [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
vestigingsadres: [postcode 2] [vestigingsplaats] , [vestigingsadres] ,
gefailleerde.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam] is op 8 augustus 2023 failliet verklaard. Om tot een oplossing voor de schulden te komen heeft de heer [naam] een verzoek gedaan zijn faillissement op te heffen en tegelijkertijd te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Het faillissement is op 8 augustus 2023 op verzoek van een derde uitgesproken met benoeming van, laatstelijk, mr. L. Mundt tot rechter-commissaris.
Mr. M.L. van Dokkum, advocaat te Den Haag, is laatstelijk benoemd tot curator.
1.2.
In het faillissement is nog geen verificatievergadering gehouden.
1.3.
De heer [naam] heeft op 22 april 2025 een verzoek ingediend zijn faillissement op te heffen en tegelijkertijd te worden toegelaten tot de WSNP.
1.4.
De curator heeft laten weten het verzoek te ondersteunen.
1.5.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 17 juli 2025. Op de zitting verschenen:
- de heer [naam] ,
- mr. M.A.G. Moesker, namens de curator, vergezeld van kantoorgenoot
mr. M.D.J. Huyssen van Kattendijke.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1.
In bepaalde gevallen kan een faillissement op verzoek van de schuldenaar worden opgeheven, terwijl gelijktijdig de toepassing van de WSNP wordt uitgesproken (artikel 15b Fw). Deze ‘omzetting’ is mogelijk wanneer het faillissement op eigen verzoek werd uitgesproken. Is het faillissement uitgesproken op verzoek van één of meer schuldeisers dan is een ‘omzetting’ mogelijk wanneer het de schuldenaar redelijkerwijs niet is toe te rekenen dat hij of zij niet eerder (voordat het faillissement werd uitgesproken) een beroep heeft gedaan op de schuldsaneringsregeling.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het de heer [naam] redelijkerwijs niet valt toe te rekenen dat het verzoek om tot de WSNP te worden toegelaten niet al vóór het faillissement is gedaan.
2.3.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Bovendien vereist artikel 288 lid 1 sub c van Pro de Faillissementswet dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.4.
Onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Er is sprake van schulden aan het CJIB ten bedrage van in totaal € 16.556,00. Deze schulden zijn van 2018 tot en met 2022 als gevolg van verkeersovertredingen ontstaan en onbetaald gebleven. Ook is gebleken van een CJIB-schuld van € 2.515,00 uit 2022 die het gevolg is van een tekortkoming vastgesteld tijdens een milieu-inspectie. Verder is sprake van naheffingsaanslagen omzetbelasting en motorrijtuigbelasting 2020, 2021 en 2022 van in totaal € 82.345,00. Deze aanslagen zijn opgelegd omdat verzoeker ten tijde van zijn zelfstandige activiteiten zijn administratie niet heeft bijgehouden en geen volledige boekhouding heeft gevoerd. Zowel de CJIB-schulden als de schulden aan de Belastingdienst zijn naar hun aard niet te goeder trouw.
2.5.
Niet is voldoende aannemelijk dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Verzoeker ontvangt sinds zijn faillissement een PW-uitkering en solliciteert niet, terwijl niet is gebleken van arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het niet solliciteren een niet-saneringsgezinde houding.
2.6.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de heer [naam] tot
opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de wettelijke
schuldsaneringsregeling afwijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot opheffing van het faillissement van [naam] onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. R. Cats en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2025 in aanwezigheid van F.J. Knaap LL.B., griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.