Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
Inleiding
Overwegingen
(B1)heeft verweerder het incident van 22 september 2016 als dienstongeval aangemerkt.
(B73)heeft medisch adviseur [naam 2] van Achmea medisch advies uitgebracht. In dat advies staat:
(B5)heeft drs. [naam 3] , verzekeringsarts RGA van Sedgwick (hierna: de verzekeringsarts), medisch advies uitgebracht. Hierin staat:
(B37-39)heeft [naam 4] , verzekeringsarts RGA van MediThemis commentaar uitgebracht. In dit commentaar staat:
(B41-43)heeft de verzekeringsarts gereageerd op het medisch advies van 24 juni 2020. In zijn reactie staat:
(B48)heeft verweerder met ingang van 1 februari 2021 eervol ontslag verleend wegens arbeidsongeschiktheid.
- het dienstongeval als luxerende gebeurtenis is aan te merken voor het ontstaan van de forse én chronische rugklachten;
- sterker nog, het dienstongeval is duidelijk als luxerende gebeurtenis aan te wijzen voor het ontstaan van de invaliderende lage rugklachten;
- er zijn geen bewijzen dat eiser de chronische lage rugklachten eveneens zou hebben ontwikkeld indien het genoemde dienstongeval niet zou hebben plaatsgevonden;
- in de medische literatuur wordt geen rechtstreekse correlatie gevonden tussen de mate van degeneratie en het al dan niet hebben of ontwikkelen van lage rugklachten;
- er vele mensen rondlopen met ernstige degeneratie van de lage rug, zonder dat zij noemenswaardige klachten of beperkingen ervaren;
- er geen aanwijzingen zijn dat eiser het huidige patroon van klachten en beperkingen zou hebben ontwikkeld indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden;
- de (toegenomen) rugklachten tot op heden doorwerken en een belangrijke bijdrage leveren aan de huidige arbeidsongeschiktheid.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 juli 2023;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser.