ECLI:NL:RBDHA:2025:15681
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 14 juli 2025, waarna alleen het voortduren daarna werd beoordeeld.
De vreemdeling stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat het zicht op uitzetting ontbrak, mede gezien zijn bijna 22 weken durende bewaring. De rechtbank stelde vast dat de minister meerdere rappels had gedaan bij de Algerijnse autoriteiten en diverse vertrekgesprekken had gevoerd. De vreemdeling werkte niet volledig mee, zoals blijkt uit zijn weigering om terug te keren en medewerking aan het verkrijgen van een laissez-passer.
De rechtbank concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat het zicht op uitzetting ontbrak en dat de minister voldoende voortvarend handelde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. Tegen dit vonnis staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.