Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
11 augustus 2025, ingekomen ter griffie van de wrakingskamer op 12 augustus 2025.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak dienden verzoeker en verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een civiele hoofdzaak. Verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen procespartij is in de hoofdzaak en op grond van artikel 36 Rv Pro geen wrakingsverzoek kan indienen.
Verzoekster stelde dat de rechter onpartijdigheidsschending pleegde door tegenstrijdige kennisgevingen over een zitting te sturen en het recht op een tolk te schenden. De rechtbank oordeelde dat deze beslissingen procedureel van aard zijn en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dergelijke gronden niet toelaat voor wraking.
De wrakingskamer benadrukte dat alleen bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren, tot wraking kunnen leiden. Dit was niet aangetoond. Het verzoek werd daarom afgewezen en de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Er vond geen mondelinge behandeling plaats omdat het debat over de gegrondheid van het verzoek niet aan de orde was. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek van verzoekster wordt afgewezen wegens procedurele aard van de beslissing.