Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 22 april 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 26 mei 2025 schriftelijk in gebreke, waarna zij meer dan twee weken later beroep instelde. De rechtbank constateert dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiseres, en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van € 100,- per dag van toepassing, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 15 juli 2025.