Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 4 oktober 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 9 april 2025 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in, conform de wettelijke procedure.
De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn niet heeft nageleefd en dat eiseres daarom recht heeft op een uitspraak. Omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven, legt de rechtbank een langere beslistermijn op, gebaseerd op het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit houdt in dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
De rechtbank verbindt een dwangsom van € 100,- per dag aan het niet naleven van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 453,50 aan eiseres vanwege de gemaakte kosten voor juridische bijstand. Het beroep wordt gegrond verklaard en het eerdere niet tijdig genomen besluit wordt vernietigd.