Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 9 maart 2024 ontvangen, waarna de minister een beslistermijn van zes maanden had. Eiser stelde de minister op 17 oktober 2024 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna een besluit moet worden genomen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser ter hoogte van € 453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en het beroep gegrond is verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 2 juli 2025.