Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 12 januari 2024 ontvangen, waarna de minister de beslistermijn van zes maanden overschreed. Eiseres stelde de minister op 25 april 2025 in gebreke en startte vervolgens het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven, legt de rechtbank een verlengde beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister het gehoor afnemen en binnen acht weken daarna het besluit nemen, in totaal maximaal zestien weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 21 juli 2025, zonder zitting. Eiseres krijgt gelijk en de minister wordt verplicht alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.