ECLI:NL:RBDHA:2025:15159
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen mvv-vereiste voor Turkse zelfstandige arbeid in Nederland
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een Turkse onderdaan die een verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid in Nederland aanvraagt. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank stelt vast dat het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen sinds 1 oktober 2022 geldt, waarbij vrijstelling alleen mogelijk is bij bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de meervoudige kamer waarin het mvv-vereiste reeds inhoudelijk is beoordeeld en bevestigt dat er geen aanleiding is tot afwijking.
Eisers beroep op bijzondere omstandigheden faalt omdat hij deze niet tijdig en met bewijs heeft onderbouwd. Ook het beroep op schending van de hoorplicht wordt verworpen, waarbij de rechtbank het gebrek passeert op grond van artikel 6:22 Awb Pro. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het mvv-vereiste wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.