ECLI:NL:RBDHA:2025:1503
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zweden onder Dublinverordening
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiseres betoogde dat zij niet aan Zweden mocht worden overgedragen vanwege het risico op indirect refoulement, omdat haar asielaanvraag in Zweden al twee keer was afgewezen en zij vreest voor uitzetting naar Soedan of Eritrea.
De rechtbank overwoog dat binnen de Dublinprocedure geen beoordeling plaatsvindt van het risico op indirect refoulement, tenzij sprake is van systeemfouten in het verantwoordelijke land. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden, wat door eiseres niet is weersproken. Daarnaast stelde eiseres dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag niet aan zich was getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, mede vanwege haar minderjarige neef in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de minister terughoudend is in het toepassen van deze bevoegdheid en dat het enkele feit van een minderjarige neef onvoldoende is om overdracht te weigeren. Eiseres heeft geen aanvullende omstandigheden aangevoerd die een onevenredige hardheid aantonen. Ook het feit dat in het gehoor niet uitgebreid op de situatie van de neef is doorgevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.