Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet wegens risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzetting. De maatregel is gebaseerd op zowel zware als lichte gronden, waaronder eerdere overtredingen van toezicht, het niet naleven van vertrekverplichtingen, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen.
Eiser heeft het besluit aangevochten en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld via telehoor en stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de maatregel op juiste wettelijke gronden is genomen. De rechtbank acht de combinatie van gronden voldoende om het risico op onttrekking en belemmering aan te nemen.
Eiser betoogt dat een lichter middel passend zou zijn geweest en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure. De rechtbank oordeelt dat een lichter middel niet effectief zou zijn en dat de minister voldoende voortvarendheid heeft betracht, onder meer door tijdige gesprekken en rappellering bij Marokkaanse autoriteiten.
Ten slotte is er volgens de rechtbank wel degelijk zicht op uitzetting, mede gelet op een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.