De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was een termijn van vier weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen, maar deze is niet nagekomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, vanwege een eerdere uitspraak waarin een termijn was gesteld die inmiddels is verstreken. De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn van 21 maanden is overschreden en legt een nieuwe beslistermijn van vier weken op, waarbij rekening is gehouden met het belang van een zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast verbindt de rechtbank een dwangsom van €250 per dag aan het niet tijdig beslissen, met een maximum van €37.500. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is openbaar en kan worden bestreden met een verzetschrift binnen zes weken.