Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 30 november 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden. Eiser stelde de minister op 3 maart 2025 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen de wettelijke termijnen had moeten beslissen en dat het beroep gegrond is. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn van zestien weken op, verdeeld in twee termijnen van acht weken: eerst voor het afnemen van het gehoor, daarna voor het nemen van het besluit.
De rechtbank verbindt aan deze termijn een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 5 juni 2025.