Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 14 december 2023. De minister had de beslistermijn verlengd met negen maanden, maar eiser stelde de minister op 27 maart 2025 tijdig in gebreke. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft besloten.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op van zestien weken, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit bekendgemaakt moet worden. De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M. Pattynama op 30 juni 2025.