Art. 20 VWEUArt. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende onderzoek afgeleid verblijfsrecht en onrechtmatige maatregel van bewaring
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg op 2 juli 2025 een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn mogelijke afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEUPro, mede vanwege zijn relatie met een vriendin in België.
De rechtbank oordeelt dat het begrip 'familielid' in artikel 20 VWEUPro ook niet-gehuwde partners kan omvatten en dat een afgeleid verblijfsrecht niet beperkt is tot ouders van een Unieburger-kind. De minister had tijdens het gehoor nader moeten doorvragen naar de aard van de relatie van eiser met zijn vriendin, wat niet is gebeurd. Hierdoor is het terugkeerbesluit niet zorgvuldig voorbereid en onrechtmatig.
Omdat de maatregel van bewaring is gebaseerd op het terugkeerbesluit, is ook deze onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 juli 2025 en kent eiser een schadevergoeding toe voor 28 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd en de maatregel van bewaring onrechtmatig verklaard, met opheffing en toekenning van schadevergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.32888 (ophouding)
NL25.32889 (maatregel van bewaring)
NL25.33078 (terugkeerbesluit)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [eiser], eiser
gemachtigde: mr. J. van Bennekom,
en
de Minister van Asiel en Migratie,
gemachtigde: drs. B. Wezeman.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tihouna. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 7 november 1999.
Over bestreden besluit 1
2. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of eiser op grond van artikel 20 VWEUPro een afgeleid verblijfsrecht heeft. Eiser heeft verklaard een vriendin in België te hebben. Eiser verwijst daarbij onder meer naar het arrest Stadt Wuppertal van 8 mei 2025 [1] waaruit volgens hem blijkt dat artikel 20 VWEUPro ook van toepassing kan zijn bij een volwassen EU-burger en een volwassen derdelander. Het verblijfsrecht van een derdelander die behoort tot het gezin van een Unieburger vloeit rechtstreeks voort uit artikel 20 VWEUPro.
3. Zoals eiser terecht betoogt volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU dat een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEUPro niet enkel hoeft te zijn aangewezen voor de derdelander die ouder is van een kind dat Unieburger is, maar kan zijn aangewezen voor ieder familielid van de Unieburger, indien zowel deze derdelander als de Unieburger, die een familielid is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten wanneer dat verblijfsrecht niet wordt toegekend. [2] Zoals eiser verder terecht stelt ontleent een vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht direct aan artikel 20 VWEUPro en dus is die statusverlening niet afhankelijk van de verlening van een verblijfsvergunning. Een verblijfsvergunning die wegens een afgeleid verblijfsrecht wordt verleend, is slechts declaratoir van aard. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser terecht aanvoert dat het begrip “familielid”, gelet op de maatschappelijke opvattingen, tevens de niet-gehuwde partner kan omvatten. Dit vindt ook steun in het gegeven dat het Unierecht ook elders de niet-gehuwde partner expliciet als gezinslid of familielid erkent. [3]
4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2021 [4] volgt dat de rechter in het beroep tegen het terugkeerbesluit kan toetsen of de vreemdeling voldoende aanknopingspunten heeft aangedragen die er op duiden dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 vanPro het VWEU. Het is de verantwoordelijkheid van de minister om een terugkeerbesluit in alle gevallen zorgvuldig voor te bereiden. [5] Dit houdt in dat voordat een terugkeerbesluit wordt genomen, de vreemdeling tijdens het gehoor in voldoende mate in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn situatie naar voren te brengen. Zo nodig moet naar aanleiding van de verklaringen van eiser worden doorgevraagd. Op basis van de verklaringen van eiser moet de minister namelijk kunnen beoordelen of er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor het mogelijke bestaan van een afgeleid verblijfsrecht en of de minister daar nader onderzoek naar moet doen. Hierbij kan de minister eiser in de gelegenheid stellen om zijn verklaring eventueel met documenten te onderbouwen. [6]
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister naar aanleiding van de verklaringen van eiser onvoldoende heeft doorgevraagd naar het mogelijke afgeleid verblijfsrecht van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor op 2 juli 2025 heeft verklaard een vriendin in België te hebben en naar zijn vriendin in Brussel te willen. In dit concrete geval had de minister nadere vragen moeten stellen, aangezien hiervoor voldoende aanleiding bestond. [7] In onderhavig geval is het gehoor te beperkt geweest om de beoordeling omtrent een afgeleid verblijfsrecht zorgvuldig te kunnen maken, zoals bedoeld in artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het had op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen naar de aard van zijn relatie met de vriendin in België, om vervolgens te bezien of daarin voldoende aanknopingspunten zijn gelegen voor een onderzoek naar een (mogelijk) afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEUPro. De rechtbank verwerpt het standpunt van de minister dat doorvragen of nader onderzoek achterwege kan blijven, omdat er tijdens de zes uren durende ophouding geen tijd is voor een dergelijk onderzoek en eiser zelf moet komen met bewijzen. Eiser had immers verklaard over zijn vriendin, die verklaring had de minister niet slechts voor kennisgeving mogen aannemen, maar had daar, gelet op zijn verplichting het terugkeerbesluit zorgvuldig voor te bereiden, op moeten doorvragen. [8] Capaciteitsgebrek aan de zijde van de minister kan niet met zich brengen dat diens verplichtingen worden afgezwakt.
6. Uit het voorgaande volgt dat het terugkeerbesluit niet zorgvuldig is voorbereid en daarom onder de gegeven omstandigheden onterecht is opgelegd. Dit maakt het bestreden besluit 1 onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt.
Over bestreden besluit 2
7. De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Uit artikel 15 vanPro de Terugkeerrichtlijn en uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een vreemdeling alleen in bewaring kan worden gesteld als voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een geldig terugkeerbesluit is genomen. [9] Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld is in onderhavige zaak geen sprake van een terugkeerbesluit dat ten grondslag aan de maatregel van bewaring kan worden gelegd. Dit leidt ertoe dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd.
Over de beroepen
8. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is gegrond en de rechtbank vernietigt bestreden besluit 1. Bijgevolg is ook het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en dient te worden vastgesteld dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is.
9. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 juli 2025.
10. Op grond van artikel 106 vanPro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 28 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 27 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.830,-.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften ten aanzien van het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Voor het separaat ingediende beroep tegen de ophouding wordt geen punt toegekend, nu de ophouding ook in het kader van het beroep tegen de maatregel van bewaring kon worden aangevochten. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt bestreden besluit 1;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 juli 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.830,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.ECLI:EU:C:2025:340
2.Vgl. HvJ EU 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:340, r.o. 29.
3.Zie bijvoorbeeld: artikel 4 lid 3 richtlijnPro 2003/86/EG.
5.Zie de arresten van het Hof van Justitie van 5 november 2014, Mukarubega, ECLI:EU:C:2014:2336, punten 47 en 48, en 11 december 2014, Boudjlida, ECLI:EU:C:2014:2431, punten 37 en 38.