Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 8 januari 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 10 april 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist en dat eiser terecht beroep heeft ingesteld. De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het niet naleven van deze termijn. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en het beroep wordt gegrond verklaard.