In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, is het beroep van eiseres gegrond verklaard. Eiseres had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis en op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank oordeelde dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op deze aanvraag. Eiseres had de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld, waarna zij beroep had ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank stelde vast dat de termijn voor de beslissing door de minister was overschreden en dat het beroep terecht was ingediend. De rechtbank gaf de minister een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen, met de mogelijkheid van een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van € 15.000,-. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50, en het griffierecht van € 194,-. De uitspraak werd gedaan door mr. A. Skerka, in aanwezigheid van griffier M.M. Mulder, en is openbaar gemaakt op 25 juli 2025.