Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 16 februari 2024, waarna de minister de beslistermijn aanvankelijk met negen maanden verlengde onder toepassing van WBV 2023/26, maar deze verlenging later introk, waardoor de beslistermijn weer zes maanden bedraagt.
Eiser stelde de minister op 23 mei 2025 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zestien weken op, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna een besluit moet worden genomen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Omdat de minister niet tijdig heeft beslist en niet aan de ingebrekestelling voldeed, is een bestuurlijke dwangsom niet verbeurd. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp.