ECLI:NL:RBDHA:2025:13879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
NL25.23926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag en oplegging nadere beslistermijn

Eiseres diende op 7 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verzocht Polen om haar terug te nemen, wat werd geaccepteerd, waarna de overdrachtstermijn van zes maanden inging. De minister stelde echter ten onrechte dat de overdrachtstermijn was opgeschort, terwijl de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) oordeelde dat dit alleen kan bij een rechterlijk besluit tot opschorting, wat hier niet het geval was.

De overdracht aan Polen vond niet tijdig plaats, waardoor de minister per 2 februari 2024 verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag. Eiseres diende op 4 maart 2024 een nieuwe aanvraag in, maar volgens jurisprudentie mocht de minister geen nieuwe aanvraag verlangen en had alsnog op de oorspronkelijke aanvraag moeten worden beslist.

De rechtbank oordeelde dat de minister de beslistermijn, ook verlengd door het besluit WBV 2023/3, had overschreden. Eiseres stelde de minister tijdig in gebreke en stelde beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet-tijdig genomen besluit en legde een nadere beslistermijn van acht weken op. Tevens werd een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 453,50.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een nadere beslistermijn van acht weken op met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23926
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.A. Vegter),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?

3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiseres heeft op 7 juni 2023 haar eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag, heeft de minister op 28 juli 2023 aan de Poolse autoriteiten verzocht om eiseres terug te nemen.6 De Poolse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 1 augustus 2023. De minister diende eiseres vanaf dat moment uiterlijk binnen zes maanden over te dragen.7 De minister heeft eiseres daarom bij beschikking van 1 september 2023 schriftelijk laten weten haar aanvraag niet in behandeling te nemen.
5. Op 6 september 2023 heeft de minister de Poolse autoriteiten meegedeeld dat de termijn voor de overdracht van eiseres is opgeschort.8 Echter, bij uitspraak van 22 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat deze overdrachtstermijn slechts wordt opgeschort in het geval dat de rechtbank een verzoek tot opschorten van de overdrachtstermijn heeft toegewezen. Dat is in het geval van eiseres niet gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn voor de overdracht van eiseres naar Polen dus niet opgeschort geweest.
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet tijdig is overgedragen aan Polen en dat de minister per 2 februari 2024 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft op 4 maart 2024 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Uit de uitspraak van ABRvS van 4 maart 20249 volgt echter dat de minister niet van eiseres mocht verlangen dat zij een nieuwe aanvraag indiende. De minister had, als gevolg van het verstrijken van de overdrachtstermijn, alsnog op de aanvraag van 7 juni 2023 moeten beslissen.
7. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.10 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijn voor asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvraag van eiseres valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Eiseres heeft de minister op 9 mei 2025 in gebreke gesteld. Dat is hoe dan ook tijdig geweest, ongeacht de vraag over de rechtmatigheid van WBV 2023/3.11 Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

8. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.12
9. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiseres in deze zaak nog niet is gehoord omtrent haar asielmotieven.
6 Artikel 18, eerste lid onder b, van de Dublinverordening.
7 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
8 Artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
10 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
11 Zie ECLI:EU:C:2025:326.
12 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
10. De rechtbank stelt verder vast dat de beslistermijn van 21 maanden13 is overschreden. De rechtbank overweegt dat de termijn van 21 maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.14 De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.
11. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om binnen deze termijn op zorgvuldige wijze een besluit te nemen. Omdat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere nadere beslistermijn op dan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) met het 8+8-wekenmodel heeft ontwikkeld in haar uitspraak van 8 juli 202015.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

12. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.16 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
13. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
14. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.17 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
13 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
14 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
16 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
17 Stb. 2025, 96.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 juli 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.