Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 1 november 2024, waarna de minister de beslistermijn aanvankelijk verlengde, maar deze verlenging later introk. Eiser stelde de minister op 6 mei 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van zestien weken, verdeeld in twee fasen: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven, en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister deze termijn overschrijdt. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eiser, vanwege het inschakelen van een professionele gemachtigde, en bepaalt een vergoeding van € 453,50. De minister is niet gehouden tot een bestuurlijke dwangsom wegens eerdere jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak.