ECLI:NL:RBDHA:2025:13679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30434
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 96 lid 1 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 9 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser. Deze maatregel duurde voort en werd eerder door de rechtbank getoetst in een uitspraak van 10 juni 2025, waarbij de maatregel rechtmatig werd bevonden.

Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om een schadevergoeding. De minister overhandigde een voortgangsrapportage, waarop eiser reageerde. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 16 juli 2025 zonder zitting.

De rechtbank beoordeelde uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 3 juni 2025. Uit de beschikbare gegevens bleek geen reden om de rechtmatigheid in twijfel te trekken. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, handhaafde de maatregel van bewaring en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30434

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. De minister heeft op 9 mei 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 10 juni 2025. [2]
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding. De minister heeft vervolgens een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 juli 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld. [3]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [4]
2.1.
Uit de uitspraak van 10 juni 2025 volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 3 juni 2025) rechtmatig is.
3. Eiser heeft in zijn reactie op de voortgangsrapportage laten weten dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel van bewaring niet (langer) is voldaan, [5] zodat de rechtbank geen reden ziet om het beroep van eiser gegrond te verklaren.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Deze maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10074.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.