AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag mvv voor verblijf als pleegkind in Nederland bevestigd
Eisers dienden op 14 juni 2023 aanvragen in voor een mvv om in Nederland als pleegkind bij hun oom (referent) te verblijven. De minister wees deze aanvragen op 7 december 2023 af, waarna eisers bezwaar maakten en beroep instelden tegen het bestreden besluit van 19 februari 2025. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 23 juni 2025.
De minister stelde dat eisers niet voldeden aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind, omdat zij niet konden aantonen dat zij in Tunesië feitelijk tot het gezin van de referent behoorden, dat zij minimaal een jaar door hem waren verzorgd en opgevoed, en dat zij geen aanvaardbare toekomst in Tunesië hadden. Ook ontbraken hechte persoonlijke banden in de zin van artikel 8 EVRMPro tussen eisers en referent.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat eisers niet tot het gezin van de referent behoorden, mede omdat zij niet samenwoonden, de voogdijbeschikking onvoldoende bewijs leverde voor een langdurige zorgrelatie in Tunesië, en de gestelde bezoeken niet waren onderbouwd. Tevens was niet aannemelijk gemaakt dat eisers in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hadden, omdat de verklaringen niet afkomstig waren uit objectieve bronnen en onvoldoende onderbouwd waren.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de afwijzing van de mvv-aanvragen in stand blijft. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars op 24 juli 2025.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvragen voor verblijf als pleegkind.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/6497
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2025 in de zaak tussen
[naam], geboren op [datum], V-nummer [nummer],
en
[naam], geboren op [datum], V-nummer [nummer], van Tunesische nationaliteit,
eisers
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers om een mvv [1] voor verblijf als pleegkind [2] . Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen en hebben beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister kon zich op het standpunt stellen dat eisers niet al in Tunesië tot het gezin van referent behoorden en dat ook niet is gebleken dat eisers in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hebben. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en procesverloop
2. Eisers hebben op 14 juni 2023 aanvragen ingediend voor een mvv. Eisers willen in Nederland als pleegkind verblijven bij hun oom [naam] (referent). Referent stelt dat hij sinds 13 maart 2023 de voogdij over eisers heeft. Eisers stellen dat hun ouders en andere familieleden in Tunesië niet voor hen kunnen zorgen. De vader heeft psychische problemen, waardoor hij niet voor eisers kan zorgen. De moeder zorgt voor de vader, waardoor ook zij niet voor eisers kan zorgen. De thuissituatie is erg slecht door de problemen van de vader.
3. De minister heeft de aanvragen in het primaire besluit van 7 december 2023 afgewezen.
4. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De minister heeft op 9 januari 2025 een hoorzitting over het bezwaar gehouden. Referent en zijn dochter hebben aan de hoorzitting deelgenomen.
5. In het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
5.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister .Verder was de dochter van referent bij de zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
5.4.
Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind. De minister overweegt daarover dat eisers niet hebben aangetoond dat zij in Tunesië al feitelijk tot het gezin van referent behoorden. Niet is gebleken dat referent hen in Tunesië tenminste een jaar heeft verzorgd en opgevoed. Verder is volgens de minister niet gebleken dat eisers in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hebben. Ten slotte is volgens de minister tussen eisers en referent geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM [3] , omdat tussen hen geen hechte persoonlijke banden bestaan.
Behoorden eisers al in Tunesië feitelijk tot het gezin van referent?
7. Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet hebben aangetoond dat zij in Tunesië al feitelijk tot het gezin van referent behoorden. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de voogdijbeschikking geen officieel document zou zijn. Het is een officiële notariële akte die is bevestigd door de rechtbank, waarmee de voogdij officieel is overgedragen. De minister heeft volgens eisers ten onrechte overwogen dat referent niet op de hoogte zou zijn van hun thuissituatie. Volgens eisers heeft de minister de doktersverklaring ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. Er is geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de arts en het is onduidelijk om welke reden alleen een verklaring van de autoriteiten als bewijs zou kunnen dienen. De minister schuift de overige verklaringen uit objectieve bronnen ten onrechte terzijde en hecht ten onrechte geen waarde aan de overgelegde foto’s. Tot slot neemt de minister volgens eisers ten onrechte de eerdere reizen naar Tunesië niet aan op basis van de aangetoonde reis in 2024.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens paragraaf B7/3.7.2 van de Vc [4] neemt de minister aan dat een pleegkind geen aanvaardbare toekomst in het land van herkomst heeft als het kind in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort en minimaal een jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders, omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen. De minister neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM. Verder verleent de minister alleen een verblijfsvergunning als de pleegouders die het kind minimaal een jaar hebben verzorgd en opgevoed in het land van herkomst in die periode de voogdij over het kind hebben gekregen, die voogdij is geregeld door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst en de autoriteiten instemmen met het vertrek naar en het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders in Nederland.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister kon overwegen dat eisers niet al in Tunesië feitelijk behoorden tot het gezin van referent. Niet is gebleken dat tussen eisers en referent sprake is van hechte persoonlijke banden en daarmee gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM. Volgens Werkinstructie 2020/16 [5] moet het bestaan van hechte persoonlijke banden worden beoordeeld door een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op het bestaan van hechte persoonlijke banden is samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dat duiden op hechte persoonlijke banden. Referent woont in Nederland en eisers wonen in Tunesië. Zij wonen niet samen en hebben nooit samengewoond. Referent heeft zijn stelling dat eisers bij hem wonen als hij in Tunesië is, niet onderbouwd. Bovendien heeft eiser zijn gestelde bezoeken aan Tunesië, behalve één bezoek in 2024, niet onderbouwd. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat de minister op basis van deze aangetoonde reis ook eisers andere reizen naar Tunesië aannemelijk moest vinden. Referent heeft geen bewijzen overgelegd van deze gestelde eerdere reizen en heeft deze reizen ook verder niet aannemelijk of concreet gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister verder overwegen dat uit de verklaringen van referent niet is gebleken dat de relatie tussen hem en eisers de gebruikelijke omgang tussen een oom/pleegouder en neef/pleegkind ontstijgt. Dat referent betrokken is bij het leven van eisers, dingen voor hen koopt en dat eisers erg op hem zijn gesteld, is daarvoor niet voldoende. De overgelegde verklaringen van derden en de overgelegde foto’s en screenshots van Whatsapp leiden ook niet tot de conclusie dat de omgang tussen eisers en referent de gebruikelijke omgang ontstijgt.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit verder terecht overwogen dat referent eisers niet minimaal één jaar in Tunesië heeft verzorgd en opgevoed. Referent woont namelijk in Nederland. Hij heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij soms twee of drie maanden in Tunesië verblijft en dat hij in ieder geval niet langer dan zes maanden in Tunesië mag verblijven. Verder heeft referent zijn gestelde bezoeken aan Tunesië niet onderbouwd met bewijsstukken, op één bezoek in 2024 na. Voor het overige heeft referent ook geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij eisers minimaal één jaar heeft verzorgd en opgevoed in Tunesië. Allereerst blijkt dit niet uit de inhoud van de overgelegde ‘guardianship agreement’. Uit de overgelegde verklaringen van familieleden, buren, sportclub en artsen blijkt ook niet dat referent eisers minimaal één jaar in Tunesië heeft verzorgd en opgevoed.
8.3.
Eisers hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat de ‘guardianship agreement’ geen officiële voogdijbeschikking van de Tunesische autoriteiten is. Dit laat onverlet dat de minister gelet op 8.1 en 8.2 terecht heeft geconcludeerd dat niet aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkinderen is voldaan. Of al dan niet sprake is van een officiële voogdijbeschikking van de Tunesische autoriteiten, kan niet afdoen aan deze conclusie. De rechtbank gaat daarom niet in op de vraag of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de ‘guardianship agreement’ geen officiële voogdijbeschikking zou zijn.
Kunnen eisers in Tunesië door andere familieleden worden verzorgd?
9. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende hebben aangetoond dat zij geen aanvaardbare toekomst hebben in Tunesië. De moeder zorgt voor de vader en kan niet voor eisers zorgen. Eisers zijn de dupe van de situatie en hebben geen aanvaardbare toekomst. De verklaring van de arts en de overige stukken zijn afkomstig uit een onafhankelijke bron. De minister stelt ten onrechte dat alleen de overheid en welzijnsorganisaties onafhankelijk zijn. Er is geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de arts. Bovendien is het niet mogelijk om een verklaring van een arts te laten voorzien van een apostille. Eisers hebben in bezwaar uitgebreid met objectieve stukken uitgelegd en onderbouwd waarom de overige familieleden in Tunesië de zorg niet op zich kunnen nemen. De minister stelt ten onrechte dat de familie de zorg niet op zich wil nemen maar dat dit wel kan. Dat referent vanuit Nederland zo goed mogelijk voor eisers zorgt, wil niet zeggen dat zij in Tunesië niet aan hun lot worden overgelaten. Alleen referent kan eisers zorg en liefde bieden.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens paragraaf B7/3.7.1 van de Vc is, in het geval het kind in het land van herkomst nog geen deel uitmaakte van het gezin van de aspirant-pleegouder, geen sprake van een aanvaardbare toekomst als er zodanige omstandigheden zijn, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Onder naaste bloed- of aanverwanten wordt verstaan: de ouders, grootouders, broers of zusters van het buitenlandse pleegkind, of de broers of zusters van de ouders van het buitenlandse pleegkind (ooms en tantes van het buitenlandse pleegkind).
9.2.
Voorop moet worden gesteld dat de minister beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of eisers in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hebben. Dat betekent dat de toetsing door de bestuursrechter terughoudend moet zijn. Aan de andere kant neemt dat niet weg dat de minister het besluit wel zorgvuldig moet voorbereiden en moet motiveren waarom hij tot zijn oordeel komt. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat in Tunesië wonende naaste bloed- of aanverwanten niet of bezwaarlijk voor hen kunnen zorgen. [6]
9.3.
In paragraaf B7/5 van de Vc staat dat het bewijsmiddel afkomstig moet zijn uit een objectieve bron uit het land van herkomst (bijvoorbeeld een verklaring van een welzijnsinstelling, een verklaring van een arts of een uitspraak van een rechter). Een verklaring uit niet-objectieve bron (bijvoorbeeld familieleden) geldt in het algemeen niet als bewijsmiddel van geen aanvaardbare toekomst. Het komt regelmatig voor dat de aspirant-pleegouder verklaringen van de familieleden in het land van herkomst overhandigt waarin staat dat zij niet in staat zijn om het buitenlandse pleegkind te verzorgen. Als deze verklaringen niet worden onderbouwd met bewijsmiddelen uit een objectieve bron, neemt de minister in het algemeen niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst voor het kind in het land van herkomst.
9.4.
Eisers hebben verklaringen overgelegd van familieleden, buren en de sportschool. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers met deze verklaringen niet hebben aangetoond dat zij in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hebben. De verklaringen zijn niet afkomstig uit objectieve bronnen en bovendien zijn de verklaringen niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd. Daardoor hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat en waarom de familieleden, waaronder de moeder of oma, niet of bezwaarlijk voor hen zouden kunnen zorgen. De minister heeft verder kunnen overwegen dat uit de verklaringen van referent tijdens de hoorzitting niet blijkt dat eisers aan hun lot worden overgelaten en dat er geen aandacht is van familieleden, waaronder de biologische ouders. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen dat de ouders de eerst aangewezen personen zijn om voor eisers te zorgen. De minister heeft tot slot kunnen overwegen dat uit de overgelegde ‘guardianship agreement’ blijkt dat de ouders van eisers niet op hetzelfde adres wonen. Dit is niet in lijn met de stelling van eisers dat de moeder niet voor hen kan zorgen omdat zij voor de vader zorgt.
9.5.
Verder hebben eisers verklaringen overgelegd van een psychiater. Uit de verklaring van 30 januari 2024 blijkt dat de vader van eisers sinds ongeveer negen jaar psychische problemen heeft in de vorm van een chronische depressie, waardoor hij inmiddels niet meer kan werken en begeleiding van zijn familie nodig heeft. Uit de verklaringen van 13 februari 2024 blijkt dat eisers psychische problemen hebben als gevolg van hun thuissituatie. Deze verklaringen leiden niet tot een ander oordeel. Daargelaten de vraag of de minister kon tegenwerpen dat de verklaringen niet zijn voorzien van een apostille, wordt naar het oordeel van de rechtbank met deze verklaringen niet aangetoond dat eisers in Tunesië geen aanvaardbare toekomst hebben. Dat de thuissituatie moeilijk is en dat eisers daardoor kampen met psychische problemen is erg naar, maar dit betekent niet dat is aangetoond dat eisers niet of bezwaarlijk kunnen worden verzorgd door familieleden in Tunesië, bijvoorbeeld hun moeder of oma. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eisers geen objectieve verklaringen hebben overgelegd waaruit blijkt dat hun ouders of andere familieleden in Tunesië niet voor hen kunnen zorgen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft verder volgens eisers ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM.
11. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 8.1 heeft de minister zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eisers en referent geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister hoefde daarom ook geen belangenafweging te maken. [7]
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de mvv-aanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2024 door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.In de zin van artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRMPro.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2298.