ECLI:NL:RBDHA:2025:13348

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29850
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96, derde lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting

De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 10 juni 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds 3 juni 2025 rechtmatig is gebleven. Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, dat het zicht op uitzetting ontbrak omdat de Roemeense autoriteiten niet reageerden, en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld. De rechtbank oordeelt dat het verzoek om een lichter middel faalt gezien het onttrekkingsrisico en het feit dat eiser niet zelfstandig is vertrokken ondanks de mogelijkheid daartoe.

De rechtbank stelt vast dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, mede omdat de Roemeense autoriteiten hebben gereageerd en er een laissez-passer aanvraag is ingediend. Voorts is de minister voldoende voortvarend te werk gegaan, met meerdere rappels en vertrekgesprekken. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de maatregel van bewaring blijft van kracht.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 21 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De maatregel van bewaring is eerder getoetst bij uitspraak van 10 juni 2025. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 11 juli 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
1.1.
Uit de uitspraak van 10 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 3 juni 2025) rechtmatig is.
Geen zitting
2. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van de vreemdeling in vervolgberoepen is niet verplicht. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat er een lichter middel opgelegd had moeten worden. Aangezien eiser al zeven weken in bewaring zit, is van een snelle terugname geen sprake. Eiser heeft ook aangegeven dat hij wil meewerken en zelfstandig wil vertrekken met zijn familie. Dit kan wanneer een lichter middel wordt opgelegd. Daarnaast heeft eiser een zoontje, waarmee hij nu lastig contact kan onderhouden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals deze rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 heeft geoordeeld was de minister niet gehouden om een lichter middel op te leggen aangezien er voldoende gronden zijn waaruit het onttrekkingsrisico volgt. De enkele verklaring van eiser dat hij wil meewerken doet niet af aan het onttrekkingsrisico dat uit de gronden volgt. Eiser heeft op 18 maart 2025 een besluit ontvangen, dat op 23 maart 2025 aan hem is uitgereikt, waaruit blijkt dat zijn verblijfsrecht is geëindigd. Eiser had dus de gelegenheid om zelfstandig te vertrekken. Dit heeft hij niet gedaan. Bovendien heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling nog aangegeven niet te willen meewerken aan vertrek. De rechtbank snapt dat het vanuit bewaring lastig is voor eiser om contact te onderhouden met zijn zoontje. Dit is gelet op voorgaande echter geen reden om af te zien van de maatregel.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt, aangezien de Roemeense autoriteiten niet reageren. Het dossier geeft geen aanleiding dat hierin verandering komt.
4.1.
De minister heeft in de maatregel van bewaring van 21 mei 2025 terecht gesteld dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op uitzetting bestaat omdat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit van een staat heeft die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer. Ook is er geen vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering dat voor de uitzetting geldt. Verder volgt uit de maatregel dat eiser de nationaliteit heeft van een staat dat medewerking verleend aan gedwongen vertrek.
4.2.
Anders dan eiser stelt hebben de Roemeense autoriteiten wel gereageerd. In het vertrekgesprek van 24 juni 2025 is namelijk aan eiser al medegedeeld dat de er telefonisch aandacht is gevraagd voor zijn zaak. De terugkoppeling hiervan is dat de doorlooptijd is verhoogd en de NAVO-top ook een rol speelt. De minister heeft op 28 mei 2025 een laissez-passer aanvraag naar de Roemeense autoriteiten verzonden. Niet is gebleken dat de Roemeense autoriteiten hebben aangegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven. Hierbij is ook van belang dat eiser zelf geen identificerende documenten heeft verstrekt, wat wel verwacht mag worden van eiser. De rechtbank ziet in het betoog daarom geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Voortvarend handelen
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de voortgangsrapportage volgt dat er pas een week na de oplegging van de inbewaringstelling een laissez-passer aanvraag is ingediend. Daarbij zijn er onvoldoende rappels verstuurd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank benadrukt dat onderhavige procedure ziet op de periode vanaf 3 juni 2025 tot aan de sluiting van het vooronderzoek. Ten overvloede wijst de rechtbank naar haar uitspraak van 10 juni 2025 waarin is geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, aangezien een dag na de oplegging van de maatregel een vertrekgesprek is gevoerd. Dat de laissez-passer aanvraag is gebeurd op 28 mei 2025, doet daaraan niet af. De minister heeft namelijk op 20 juni 2025 nog een vertrekgesprek gevoerd, heeft meermaals schriftelijk gerappelleerd en heeft telefonisch aandacht gevraagd voor de rappels. Mede gelet op de vrij korte duur van de inbewaringstelling en de afwezigheid van identificerende documenten van eiser, heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser.
Ambtshalve toetsing
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10042.
2.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.