Uitspraak
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Egyptische nationaliteit, had sinds 17 april 2019 een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij een referent. Deze vergunning is met terugwerkende kracht ingetrokken per 4 maart 2024, omdat de relatie was verbroken. Eiser diende op 17 januari 2024 een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene en een verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden: hij had op het moment van aanvraag nog geen vijf jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf en voldeed niet aan het middelenvereiste. Eiser voerde aan dat hij wel aan het verblijfvereiste voldeed en dat de relatie met de referent was hersteld, alsmede dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is. De intrekking van de verblijfsvergunning stond vast en eiser had geen bezwaar tegen de intrekking ingesteld. De aanvraag was gedaan voordat het vereiste van vijf jaar rechtmatig verblijf was bereikt. Daarnaast was het middelenvereiste niet vervuld. De rechtbank stelde dat de minister niet verplicht was eiser te horen omdat het bezwaar geen kans op een ander besluit bood.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene en verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.