ECLI:NL:RBDHA:2025:13302
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking terugkeerbesluit wegens rechtmatig verblijf
Verzoeker kreeg op 26 maart 2025 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister trok het terugkeerbesluit op 15 april 2025 in nadat bleek dat verzoeker rechtmatig verblijf had in Nederland. Vervolgens trok verzoeker zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, omdat het terugkeerbesluit op het moment van oplegging rechtmatig was. De mvv-visumsticker was op 10 december 2024 afgegeven, waardoor verzoeker rechtmatig verblijf had gedurende 90 dagen. Op 28 maart 2025 was deze termijn verstreken en had verzoeker zich nog niet gemeld voor een verblijfsvergunning, die pas op 2 april 2025 werd verleend.
Omdat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit te nemen en het later intrekken niet neerkomt op erkenning van onrechtmatigheid, is geen grond voor proceskostenvergoeding. De rechtbank wees het verzoek af en bepaalde dat het griffierecht niet hoeft te worden terugbetaald.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht wordt afgewezen omdat het terugkeerbesluit rechtmatig was.