ECLI:NL:RBDHA:2025:13273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL24.52217
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer – Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding

Eiseres, houder van de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf bij een referent in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege twijfel over de familieband en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko, waardoor de terugkeer niet gewaarborgd zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk familie is van de referent en onvoldoende bewijs heeft geleverd van een sterke sociale en economische binding met Marokko. De minister heeft terecht een ruime beoordelingsmarge toegepast bij het beoordelen van het reisdoel en de terugkeergarantie.

Echter, de rechtbank stelt vast dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door eiseres niet te horen over haar toeristische reisdoel, hetgeen wel had moeten gebeuren. Ondanks deze formele tekortkoming blijft de inhoudelijke afwijzing van het visumbesluit in stand.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover eiseres niet is gehoord, maar handhaaft de rechtsgevolgen van het besluit. Eiseres krijgt een vergoeding van proceskosten en het griffierecht terug.

Uitkomst: Beroep gegrond wegens schending hoorplicht, maar afwijzing visumaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

[eiseres 2/referente](eiseres 2/referente)
[referent](referent)
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en

de minister van Buitenlandse Zaken

(gemachtigde: mr. N. Ulutas).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een visum voor kort verblijf bij [referent] (referent).
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van haar beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit. Referent heeft voor eiseres een aanvraag gedaan voor een visum. De minister wil aan eiseres geen visum verstrekken, omdat hij twijfelt of eiseres na verloop van het visum wel terugkeert naar Marokko. Aan de afwijzing legt de minister ten grondslag dat eiseres niet heeft aangetoond daadwerkelijk de nicht te zijn van referent en dat zij niet heeft aangetoond een voldoende sociale en economische binding met Marokko te hebben.
Toetsingskader
5. Een visumaanvraag voor kort verblijf kan worden afgewezen als eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of indien er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. [1] Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. [2]
Reisdoel en omstandigheden van het verblijf
6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Met het overgelegde formulier ‘bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking’ heeft referent immers verklaard logies te verstrekken en garant te staan voor eiseres. Dit is nogmaals bevestigd in de vragenlijst van 30 mei 2024. Daarbij komt dat referenten hebben toegelicht dat zij regelmatig naar Marokko reizen en verblijven in de woonplaats van eiseres en haar daar ontmoeten. Het doel van de reis is om referenten te bezoeken en bij hen te verblijven. Eiseres wijst erop dat op het aanvraagformulier als reisdoel dan ook is aangevinkt ‘tourism’ en ‘visite á la famillie ou á des amis.’ Verder voert eiseres aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat het door haar overgelegde ‘Attestation de Lien de Parente’ niet voldoende aantoont dat sprake is van een familieband tussen haar en referent. Dat uit dit document niet blijkt dat brondocumenten zijn overgelegd, maakt volgens eiseres niet dat het document niet aangemerkt kan worden als objectief verifieerbaar. Tot slot heeft de minister voorafgaand aan het besluit niet concreet aangegeven welke stukken eiseres had moeten overleggen ter onderbouwing van het reisdoel. Hierdoor is het besluit volgens eiseres onzorgvuldig.
6.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Hierbij heeft de minister terecht overwogen dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt of aangetoond met objectief verifieerbare bewijsstukken. De ‘Attestation de Lien de Parente’ is hiervoor onvoldoende omdat uit dit document niet blijkt dat ter totstandkoming daarvan brondocumenten zijn overgelegd. De attestation is daarom geen objectief verifieerbaar document. Eiseres heeft verder geen met brondocumenten onderbouwde gegevens overgelegd waaruit haar familierelatie met referent blijkt. De rechtbank volgt niet het betoog dat de minister had moeten aangeven welke documenten eiseres had moeten overleggen. Het is immers aan eiseres om haar familierelatie met referent te onderbouwen. Doordat de gestelde familierechtelijke relatie met referent nu niet aannemelijk is, stelt de minister zich eveneens terecht op het standpunt dat hij heeft mogen twijfelen aan het gestelde reisdoel van eiseres.
Sociale en economische binding
7. Eiseres betoogt dat uit de Visumcode volgt dat de minister moet motiveren op grond waarvan redelijke twijfel bestaat omtrent het voornemen om tijdig terug te keren. Volgens eiseres mag de minister niet standaard uitgaan van deze redelijke twijfel en van eiseres vervolgens verlangen dat zij het tegendeel aannemelijk maakt. Daarbij komt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet voldoende zou hebben onderbouwd dat sprake is van een voldoende sterke binding met Marokko. Eiseres woont namelijk samen met haar moeder, wat een significante sociale binding oplevert. Ten onrechte heeft de minister hierbij gesteld dat de sociale binding enkel aanwezig is als de moeder van eiseres hulpbehoevend is en de nodige hulp enkel door eiseres kan worden verleend. Daarnaast heeft eiseres de economische binding met Marokko ook aannemelijk gemaakt met de overgelegde bankafschriften, waaruit blijkt dat zij over regelmatige en substantiële inkomsten beschikt.
7.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zicht op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseres een zodanig sterke sociale binding heeft met Marokko dat zij waarschijnlijk zal terugkeren na afloop van de visumtermijn. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres geen eigen gezin heeft in Marokko. Verder is niet gebleken dat de moeder van eiseres hulpbehoevend is en dat eiseres de enige is die voor haar kan zorgen. Anders dan eiseres betoogt kan deze omstandigheid, naast alle andere omstandigheden, een rol spelen bij de vraag of sprake is van een sociale binding met Marokko. Verder heeft eiseres met de overgelegde stukken onvoldoende aangetoond dat zij daadwerkelijk werkzaamheden uitoefent als naaister en hiermee een regelmatig en substantieel inkomen geniet. De minister wijst er terecht op dat er geen objectief verifieerbare stukken zijn overgelegd waaruit de reële bedrijfsactiviteiten en de daaruit gestelde inkomsten blijken. De overgelegde verklaring (Declaration sur L’Honneur) is opgesteld en afgegeven conform informatie die door eiseres zelf is opgegeven. Uit de omstandigheid dat eiseres is ingeschreven in een nationaal register blijkt niet dat zij ook daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten ontplooit. De overgelegde bankafschriften maken voorts niet aannemelijk dat zij daadwerkelijk werkzaam is als naaister en daaruit een structureel en voldoende substantieel inkomen genereert. De (hoge) stortingen op de bankrekening van eiseres zijn namelijk niet te herleiden tot haar werkzaamheden als naaister. Uit de bankafschriften valt niet af te leiden wat de herkomst van de stortingen is. Daarbij merkt de minister terecht op dat de stortingen niet overeenkomen met de gestelde inkomsten van eiseres. Ook de overgelegde foto’s van eiseres met een naaimachine en de foto’s van kleding zijn onvoldoende om aan te tonen dat eiseres daadwerkelijk als naaister werkt en hiermee inkomsten genereert. De minister heeft mogen concluderen dat eiseres de sociale en economische binding met Marokko niet aannemelijk heeft gemaakt, waardoor een tijdige terugkeer niet redelijkerwijs gewaarborgd is.
7.2.
Het betoog van eiseres dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van redelijke twijfel slaagt niet. Zoals uit voorgaande volgt heeft eiseres met de door haar overgelegde informatie niet aannemelijk weten te maken dat zij familie is van referent of dat zij een voldoende mate van sociale of economische binding heeft met Marokko. In het summiere karakter van de door eiseres bij de aanvraag overgelegde informatie heeft de minister aanleiding mogen zien om te twijfelen of zij na het verstrijken van de periode waarvoor het visum geldig is, terug zou keren naar Marokko.
7.3.
Het terechte betoog van eiseres dat de minister heeft miskend dat zij op het aanvraagformulier wel degelijk heeft aangekruist wegens toerisme naar Nederland te komen maakt voorgaande niet anders. Deze omstandigheid leidt daarom niet tot een inhoudelijk onrechtmatig besluit. Zoals uit onderstaande echter blijkt had de minister eiseres hierover echter wel moeten horen.
Hoorplicht
8. Eiseres betoogt dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is, waardoor zij ten onrechte niet gehoord is. Zij wijst erop dat zij in het aanvraagformulier heeft aangeven als toerist naar Nederland te willen komen en dat daarover door de minister nu geen vragen zijn gesteld. Verder wijst eiseres erop dat in bezwaar standaard een formulier wordt meegestuurd waarmee extra informatie kan worden aangeleverd, wat er volgens eiseres op duidt dat op dat moment kennelijk niet alle benodigde informatie bekend is bij de minister, wat des te meer reden is om te horen. De zaak was volgens eiseres in bezwaar niet zodanig duidelijk dat niet meer gehoord had hoeven worden.
8.1.
Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres had moeten horen. Daarvoor is volgens de rechtbank primair redengevend dat eiseres, zoals zij op de zitting heeft verklaard, bij de aanvraag al heeft aangegeven als toerist naar Nederland te willen komen. De minister heeft dit in het besteden besluit miskend en had eiseres daarover moeten horen. Dat de fout van de minister het besluit inhoudelijk niet aantast, zoals onder 7.1. overwogen, maakt dat niet anders, nu de minister daar ten tijde van het beslissen op bezwaar niet zonder meer van had kunnen uitgaan. Verder had de minister bijvoorbeeld nog kunnen bevragen over de zorg voor de moeder van eiseres. Al met al volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat de uitkomst van de zaak ten tijde van de beslissing op bezwaar niet zo duidelijk was dat deze als kennelijk ongegrond had kunnen worden afgedaan door de minister. Daarbij is ook van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat horen uitgangspunt is, en dat daarvan slechts in uitzonderlijke situaties kan worden afgezien. [3] Gezien voorgaande is niet zonder meer duidelijk dat ten tijde van het besluit op bezwaar van zo’n situatie sprake was, zodat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en eiseres ten onrechte niet heeft gehoord.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Omdat de inhoudelijke motivering het besluit echter kan dragen, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten. [4] Dat betekent dat het beroep op formele gronden gegrond is, maar dat eiseres door de minister alsnog terecht een visum is geweigerd.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. Zij krijgt ook het door haar betaalde griffierecht terug. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907 en met wegingsfactor 1). Het betaalde griffierecht bedraagt € 187.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 december 2024 voor zover eiseres daarin niet is gehoord;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt ter hoogte van € 187.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer – Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, en onder b van de Visumcode.
2.Dit volgt uit het arrest van het HvJEU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862 (
3.Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Dit volgt uit artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.