ECLI:NL:RBDHA:2025:13117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, kreeg op 7 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Zijn asielaanvraag was eerder op 12 februari 2025 afgewezen en het beroep daartegen ongegrond verklaard, waardoor het vermoeden van illegaal verblijf vaststaat.

Eiser betoogde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast vanwege zijn medische problemen (depressie en astma) en zijn minderjarige zoon in Nederland. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Ook werd geoordeeld dat er geen gezinsband met de minderjarige zoon bestond.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30287

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1972 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroepsgrond ten aanzien van het zicht op uitzetting op zitting heeft ingetrokken.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
3. Eiser voert verder aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding van 7 juli 2025 blijkt dat eiser geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn uitzetting naar Marokko. Zijn asielaanvraag is op 12 februari 2025 afgewezen, waarna het beroep daartegen ongegrond is verklaard. [2] Hiermee staat de afwijzing van zijn asielaanvraag in rechte vast. Om die reden is voldoende duidelijk geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
Lichter middel
5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser heeft medische problemen. Hij heeft een depressie en is astmatisch. Daarnaast heeft hij een minderjarige zoon in Nederland.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, welke niet zijn betwist, feitelijk juist zijn en voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast heeft hij aangegeven dat hij aanvankelijk niet akkoord is met een terugkeer naar Marokko. [3] Verder heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Voor zover eiser stelt dat hij in Nederland een minderjarige zoon heeft, is bij voornoemde uitspraak van zittingsplaats Arnhem in de asielprocedure van eiser reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat sprake is van een gezinsband. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Arnhem) 7 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8096.
3.Verslag vertrekgesprek 10 juli 2025, p. 1 van 2.