ECLI:NL:RBDHA:2025:13045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.21596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Marokkaanse vreemdeling. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel getoetst vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek.

De rechtbank constateert dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt en dat de minister regelmatig contact onderhoudt voor het verkrijgen van een laissez passer. Er is geen aanwijzing dat de autoriteiten geen laissez passer zullen verstrekken. De rechtbank verwijst naar eerdere rechtspraak waarin is vastgesteld dat de minister uitzettingshandelingen schriftelijk hoeft aan te tonen en dat een vertrekgesprek als uitzettingshandeling geldt.

Eiser heeft niet voldaan aan zijn medewerkingsplicht om de uitzetting te faciliteren. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat er geen strijd is met het Unierecht of de Terugkeerrichtlijn. Gelet op de belangenafweging en ambtshalve toetsing is de maatregel rechtmatig en het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21596
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

De minister heeft op 21 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2025 (in de zaak NL25.18526) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd oordeelt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. In deze zaak loopt het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 1 mei 2025. In de enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden geen reactie hebben gegeven, ligt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze autoriteiten niet tot verlening van de lp voor eiser zullen overgaan. De autoriteiten hebben namelijk niet op voorhand te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Wat betreft eisers beroepsgrond dat de minister de uitzettingshandelingen dient aan te tonen met schriftelijke stukken verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 30 april 2025 (in de zaak NL25.18526), rechtsoverweging 5. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel de maatregel van bewaring in dit kader in strijd is met het Unierecht. Daarnaast heeft de minister op 24 april 2025 getracht een vertrekgesprek te voeren met eiser. Dit gesprek is niet doorgegaan en is verzet naar een andere datum. Eiser kan overigens altijd vragen om een vertrekgesprek indien hij de minister wenst te spreken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 4 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1505) geoordeeld dat een vertrekgesprek aangemerkt wordt als een uitzettingshandeling. Volgens vaste rechtspraak moet de minister ten minste één uitzettingshandeling per maand verrichten en het is primair aan de minister om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn om een vreemdeling uit te zetten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in het geval van eiser meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten. Verder overweegt de rechtbank dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt met betrekking tot eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Belangenafweging

6. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn). Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die - gelet op de duur van deze bewaring - voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra , rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.