Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:13005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2500901:R-RK en NL:TZ:2500903:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 285 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming wegens ontbreken financiële stabiliteit

De heer [naam] verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening die de ontruiming van zijn woning door Urban Interest Vastgoed B.V. voor zes maanden zou verbieden, zodat hij het minnelijk schuldsaneringstraject kon afronden. De ontruiming stond gepland op 14 juli 2025. De rechtbank had eerder een tussenvonnis uitgesproken dat de ontruiming tijdelijk verbood totdat een eindbeslissing was genomen.

Tijdens de zitting op 17 juli 2025 bleek dat de heer [naam] wel een overeenkomst tot schuldhulpverlening had getekend, maar dat er nog geen daadwerkelijke aanvang was gemaakt met het minnelijk traject. Ook was er geen duidelijkheid over een stabiele inkomenssituatie, aangezien hij als zelfstandige werkt en het financiële overzicht nog onvoldoende was. De huurachterstand bedroeg inmiddels meer dan negen termijnen, en de nieuwe inkomstenbronnen waren onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat niet aannemelijk was dat het minnelijk traject op korte termijn zou starten en dat de heer [naam] niet in staat zou zijn om de huur en kosten van levensonderhoud tijdig te betalen. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd het WSNP-verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de benodigde stukken en het niet zijn gestart met het minnelijk traject.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen wegens ontbreken van een stabiele financiële situatie en niet-aanvang van het minnelijk traject.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2500901:R-RK en NL:TZ:2500903:R-RK
vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 17 juli 2025
[naam],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: de heer [naam] ,
advocaat/gemachtigde: mr. J. Verheij, JAW Advocaten,
tegen
de Besloten Vennootschap Urban Interest Vastgoed B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
hierna: verweerster,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders.
Waar deze zaak over gaat
Op 14 juli 2025 wil verweerster de woning van de heer [naam] ontruimen. Hierdoor is voor de heer [naam] een bedreigende situatie ontstaan. De heer [naam] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. De heer [naam] is daardoor in de gelegenheid om het minnelijk traject af te ronden. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Op 10 juli 2025 heeft de heer [naam] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft de heer [naam] ook een WSNP-verzoek ingediend.
1.2.
Het verzoek houdt in dat verweerster wordt verboden om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen. De heer [naam] huurt deze woning van verweerster. De ontruiming stond gepland op 14 juli 2025.
1.3.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 10 juli 2025 verweerster verboden de woning te ontruimen totdat op het verzoek van de heer [naam] een eindbeslissing is genomen.
1.4.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 17 juli 2025 om 12:00 uur. Op deze zitting verschenen:
- de heer [naam] , bijgestaan door,
- de heer mr. J. Verheij, advocaat van JAW Advocaten,
1.5.
De gemachtigde van verweerster is opgeroepen voor de zitting, maar is niet verschenen.

2.De beoordeling

Het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening

2.1.
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw heeft tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 5). Hieruit blijkt dat, wil artikel 287b Fw van toepassing kunnen zijn, er met het minnelijk schuldsaneringstraject een aanvang moet zijn gemaakt, of in ieder geval hiermee op zeer korte termijn zal worden begonnen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt niet dat dit het geval is.
2.2.
De heer [naam] heeft op 25 juni 2025 met [bedrijfsnaam] een overeenkomst tot schuldhulpverlening getekend. Niet gebleken is dat sindsdien daadwerkelijk een begin is gemaakt met de schuldsanering. Men tot op heden niet verder gekomen dan het opvragen van saldo-opgaven bij schuldeisers. Er is (dus) nog geen volledig inzicht in de schuldensituatie van de heer [naam] . De heer [naam] werkt als zelfstandige en op dit moment is evenmin duidelijk of sprake is van een bestendig stabiele inkomenssituatie. Dit maakt dat er niet van uit kan worden gegaan dat het minnelijk schuldsaneringstraject op korte termijn in gang kan en zal worden gezet.
2.3.
Uit het ontruimingsvonnis van 22 mei 2025 blijkt dat de heer [naam] al zeer ruime tijd geen huur heeft betaald, waardoor tot en met de maand april 2025 een (huur)vordering van € 8.615,48, hetgeen overeenkomt met ruim 9 huurtermijnen. Sindsdien zijn de huurtermijnen voor de maanden mei, juni en juli 2025 opeisbaar geworden, maar niet betaald. Hierdoor is de vordering van de verhuurder fors is opgelopen. Weliswaar is op zitting meegedeeld dat op korte termijn de huur
(€ 942,59 per maand) weer kan worden betaald omdat de heer [naam] nieuwe inkomstenbronnen heeft aangeboord, maar dit is onvoldoende met stukken onderbouwd. Het overleggen van enkele facturen is hiervoor onvoldoende; die facturen zijn nog niet betaald en geven geen inzicht in een toekomstig verloop van opdrachten. De rechtbank kan er dus niet van uitgaan dat de (financiële) situatie van de heer [naam] zodanig stabiel en bestendig is dat hij in het vervolg de huur wel (op tijd) kan betalen én zal kunnen blijven betalen.
2.4.
De rechtbank moet dus vaststellen dat niet aannemelijk is geworden dat op zeer korte termijn zal (kunnen) worden begonnen met een minnelijk schuldsaneringstraject. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de lopende huurtermijnen en de andere kosten van levensonderhoud volledig en tijdig kunnen en zullen worden betaald. Dit alles maakt dat de rechtbank het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening zal afwijzen.
Het WSNP-verzoek
2.5.
Ten aanzien van het verzoek tot het toepassen van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt de heer [naam] niet-ontvankelijk verklaard, nu de daarvoor benodigde stukken als bedoeld in artikel 285 Fw Pro ontbreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek aan te houden om de stukken te completeren, omdat nog geen begin is gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de verzochte voorlopige voorziening af;
- verklaart de heer [naam] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de
wettelijke schuldsaneringsregeling.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met A. van Groningen Schinkel, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.