Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
- de conclusie van antwoord als gevoegde partij, conclusie van eis als tussenkomende partij van [gevoegde partij] , met producties 1 en 2;
Rechtbank Den Haag
In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een geldlening die hij aan zijn broer, gedaagde, heeft verstrekt ter financiering van de koopprijs van een woning die hij aan hem heeft overgedragen. Gedaagde is niet verschenen, maar zijn voormalig echtgenote is tussengekomen en gevoegd aan zijn zijde en betwist het bestaan van de lening en voert verjaring aan.
De rechtbank stelt vast dat de geldleningsovereenkomst bestaat, gebaseerd op de leveringsakte, een schuldbekentenis en twee addenda. De betwisting door de voormalig echtgenote is onvoldoende onderbouwd en wordt weersproken door concrete stukken. Het verjaringsverweer faalt omdat de laatst gesloten addendum van 15 maart 2024 de natuurlijke verbintenis omzet in een afdwingbare vordering.
De rechtbank wijst ook het beroep van de voormalig echtgenote af dat de lening niet op de opbrengst van de woning mag worden verhaald. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs, maar de beslagkosten worden toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familiale relatie tussen partijen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €740.000 plus rente en beslagkosten; verjaringsverweer en vorderingen voormalig echtgenote worden afgewezen.