Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 2 december 2024 waarin een beslistermijn van acht weken werd gesteld. Omdat de minister deze termijn niet heeft nageleefd, is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard.
De rechtbank overweegt dat de minister ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling in dit geval toch gehouden is binnen een redelijke termijn te beslissen, mede gelet op de verstreken termijn van 21 maanden sinds de aanvraag. De minister heeft inmiddels het voornemen tot besluit bekendgemaakt en de eiser heeft zijn zienswijze ingediend, maar een definitief besluit ontbreekt nog.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op, startend na verzending van deze uitspraak, en verbindt daaraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,- bij overschrijding. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.C. van de Mortel en is op 9 juli 2025 openbaar bekendgemaakt.