Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 26 februari 2024 en werd op 28 mei 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser, en binnen acht weken daarna een besluit nemen. De rechtbank verbindt aan deze termijn een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 10 juli 2025.