Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 1 mei 2024 en had zes maanden om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiseressen stelden de minister op 8 februari 2025 in gebreke en dienden daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen, samen dus binnen zestien weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €453,50 aan eiseressen. Hiermee wordt beoogd de minister te dwingen tijdig te beslissen op de asielaanvragen.