Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 22 mei 2024, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 27 mei 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna het beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft besloten. De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waardoor de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier M.M. Mulder op 8 juli 2025 te Utrecht. Partijen zijn niet uitgenodigd voor een zitting, en de uitspraak is in het openbaar bekendgemaakt.